Informatie  Vieren  Zorg  Leren  Onderweg  Financiën  Plein v. Siena  Links

 

HOE ZAL HET WORDEN?
Overweging op nieuwjaarsdag

Op nieuwjaarsdag, acht dagen na kerstmis viert de kerk het feest van Maria, moeder van Jezus. Het evangelie zoomt in op Maria en Jozef en het pasgeboren kind in de kribbe. Hij is onderweg geboren, nog maar een week oud, en toch zijn al veel hooggestemde woorden over hem gesproken: door de engel Gabriël, door Elisabet en Zacharias, door de engelen uit den hoge. Zij verkondigen ’s nachts aan de herders in het veld dat hun ‘Redder’ is geboren, ‘de Messias, de Heer’. De herders haasten zich daarop naar Bethlehem om het met eigen ogen te zien. Bij het kind in de kribbe aangekomen vertellen zij alles wat hun over dit kind gezegd is. Ze vertellen het aan iedereen die het horen wil. Dansend en zingend van Gods heerlijkheid keren ze terug naar hun schapen.

Maria en Jozef vormen met het kind het stille midden van het opgetogen evangelietafereel van vandaag. Over Jozef vertelt het evangelie niets, alleen dat hij daar was. Van Maria zegt het verhaal dat zij alles wat zij gehoord had in haar hart bewaarde en erover nadacht. Beiden hebben niets anders te doen dan zorgzaam en liefdevol bij hun kind te waken. Te midden van alle ophef doen zij eenvoudig wat zij als gelovige joodse ouders te doen hebben: ze voltrekken aan hem de initiatieriten van het verbond tussen God en zijn volk. Het lijkt of alles rond dit kind ook hen verre overstijgt: ‘Acht dagen later, toen de tijd gekomen was dat Hij besneden moest worden, kreeg Hij de naam Jezus, die door de engel was genoemd voordat Hij in de moederschoot werd ontvangen.’
Deze zoon is Maria en Jozef overkomen. Zijn oorsprong en zending zijn voor hen een geheim. Maar ze zeggen en doen wat moet gedaan. Ze laten hem besnijden, op de veertigste dag brengen zij hem naar Jeruzalem om hem in de tempel op te dragen aan de Heer en als hij twaalf jaar oud is, keren zij daarheen terug om te vieren dat hij een echte ‘zoon der wet’ wordt. En steeds opnieuw vragen zij zich af: ‘Wat zal er worden van dit kind?’

De achtste dag van Kerstmis, de dag van Jezus’ besnijdenis en naamgeving, is voor ons ook de eerste dag van het nieuwe jaar. We kijken vooruit en vragen ons af: ‘Wat zal er worden van dit jaar?’ Het is goed dat op deze feestelijke nieuwjaarsdag de zegen van Aäron en zijn zonen gelezen wordt. Die zegen bestaat in de glans van Gods aangezicht over ons en in de vrede die in Hem te vinden is. Wij vieren in de kersttijd dat God zijn gelaat naar ons keert in de geboorte van zijn Zoon en dat diens naam voor ons een zegen is: Jezus, God redt. Hij is Gods zegen over ons, niet alleen over ons in onze eigen kring, maar wereldwijd. Mensen dichtbij en veraf, armen en rijken, wijzen en dwazen, vluchtelingen en ingezetenen, voor állen komt God menselijk in ons midden als onze broeder en onze redder.
En hoe redt Hij ons? Niet door ons alle gevaren en moeilijkheden uit handen te nemen, niet door van ons het stuur over te nemen. Maar wel door zijn Geest in ons hart te leggen, die ons bezielt en beweegt om te roepen: ‘Abba, Vader!’ Wij zijn niet alleen, wij worden niet aan ons lot overgelaten, wij zijn kinderen van de ene Vader, verzameld rond zijn Zoon, Jezus, de Heer. Deze dag zegt ons dat wij ons als zijn kinderen gezegend mogen weten in de glans van Zijn gelaat. Mogen wij vervuld worden van dit geheim. En mogen wij omwille van hem omzien naar elkaar, zoals Maria en Jozef omzagen naar het kind dat hun was toevertrouwd.

1 januari 2019, p. A. Niesen o.p.

 

 terug